Huis, haar huis

Het is haar huis, haar plek. Ze gebaart huis. Dat lijkt goed te zitten. Toch bedoelt ze niet haar huis, maar ons huis. Haar gebaren zijn steeds beter, haar dialect zorgt soms voor gebaren die op elkaar lijken.

Huis of haar huis lijkt dan wel op elkaar, de betekenissen verschillen enorm. Zij gebaart haar eigen naam door twee keer op haar buik te tikken. Haar huis is dan twee keer tikken en dan de handen in de vorm van een dak met de toppen van de vingers tegen elkaar. Huis is enkel het dakgebaar met de vingertoppen tegen elkaar.

Ze gebaart huis en wil naar ons toe. De bus rijdt echter van het kinderdagcentrum naar haar nieuwe huis. Ze snapt nu dat dat ook haar huis is, maar liever is ze bij ons. Ze wil graag bij vader, moeder, broer en zus zijn. En toch is ze nu in haar nieuwe huis. Haar mooi ingerichte kamer, hetzelfde bed als thuis, de bubbellamp en projector maken het haar plek.

Ze slaapt in dezelfde slaapzak als thuis. Al een maand of vier slaapt ze niet meer thuis. Ze is gewend aan haar medebewoners. De meeste begeleiders kent ze nu, alhoewel hier ook een verloop is en telkens nieuwe begeleiders in haar huis werken. Haar huis is niet huis.

Zomaar langskomen is lastig. De autistische medebewoners moeten voorbereid zijn op de komst van ouders. Woensdagavond na haar diner komen we op bezoek. Zaterdag gaat ze met ons zwemmen en ‘s middags is ze dan thuis. Later op de dag brengen we haar naar haar huis. In de auto daarheen gebaart ze enkel huis, huis, huis.

Het doordeweekse bezoek overvalt haar wel. Ineens staan we voor haar neus. Een halve seconde kijkt ze verbaasd. Ze strekt haar armen uit om een knuffel te geven en geeft ons allebei een kus. Dit bezoek biedt kansen. Alleen in de tuin mag ze niet, met ons mag ze misschien wel schommelen.

Ze heeft al gedoucht, haar haren zijn geborsteld, en ze heeft haar pyjama aan. Ze gebaart schommelen. De begeleiding is haar medebewoners aan het douchen en verzorgen. Nogmaals gebaart ze schommelen. “Het is niet meer zo warm buiten, doe je wel een jas aan?” is voor haar het teken naar de hal te lopen en haar jas te pakken.

De jas aan, de rits blijft dicht. Ze stapt op blote voeten, binnenkort heeft ze weer orthopedische schoenen, naar de buitendeur. Ik til haar naar de schommel. Dit tillen is tegelijkertijd een vaderdochterknuffel. Een beetje duwen is leuk. Harder wil ze. De gordel is al uit de blauwe bak verdwenen. Medebewoners vonden dat handiger.

Op de andere schommel neem ik plaats. Met mijn heupen pas ik precies op het plankje. Ook ik ga schommelen. Ik kom in het tegengestelde ritme. Ze kijkt omhoog naar mij en lacht hard. Als ik stop gebaart ze papa schommelen. Helder, ik mag weer schommelen. Hoger ga ik, zij kijkt en geeft me een highfive.

Rond haar bedtijd mogen we weg. Een knuffel, een kus, een handkus en ze zwaait ons uit. Slapen gebaart ze, gevolgd door huis. Ze woont in haar nieuwe huis en verlangt naar slapen in haar oude huis. Ons huis.

Leave a Reply

%d bloggers like this: